Dossier

Welzijn biologische varkens

De biologische veehouderij heeft veel oog voor natuurlijk gedrag, een goede gezondheid met nadruk op ziektepreventie, en natuurlijke voeding.

Varkens welzijn

Het dierenwelzijn in de biologische sector heeft daarom een hoog niveau. Dit past goed bij de verduurzaming van de biologische veehouderij. In 2010 heeft de sector zichzelf een spiegel voorgehouden. Hieruit blijkt dat veel goed gaat op het gebied van dierenwelzijn, maar er zijn ook verbeterpunten. In dit dossier een overzicht voor de biologische varkenshouderij, met vooral aandacht voor aspecten waar nog welzijnswinst te behalen is.

Gedrag

In de biologische veehouderij is het belangrijk om een leefomgeving te creëren die zoveel mogelijk tegemoet komt aan de soortspecifieke eigenschappen en behoeftes van de dieren. Varkens in de biologische houderij hebben - in tegenstelling tot varkens in gangbare systemen - de beschikking over uitlopen, en guste en dragende zeugen hebben weidegang. Daarnaast hebben biologisch gehouden varkens meer ruimte en is een groter deel van de vloeren dicht en ingestrooid met stro. Door deze rijkere omgeving zijn biologische varkens minder agressief en angstig, en komt staartbijten minder voor dan bij gangbaar gehouden varkens. Stro is verder positief voor het nestbouwgedrag van biologische zeugen. Het later spenen van biologische biggen (minimaal 40 dagen, versus 21-28 dagen bij gangbaar) sluit beter aan op het natuurlijke zorggedrag van zeugen en het zooggedrag van biggen. De biologische varkenshouderij heeft nog wel mogelijkheden om natuurlijk gedrag en de natuurlijke leefomgeving verder te verbeteren. Voorbeelden zijn het verrijken van buitenuitlopen, het aanbieden van modderpoelen en het aanbrengen van goede schuurmogelijkheden. Verder besteedt de biologische varkenshouderij nog niet expliciet aandacht aan de mens-dier relatie.

Gezondheid

Een goede gezondheid staat in de biologische veehouderij voorop. Het streven naar een dier met veel weerstand en het inpassen van preventieve maatregelen in de bedrijfsvoering zijn dus uiterst belangrijk. Biologisch voer mag niet synthetisch zijn en grondstoffen moeten 100% biologisch zijn. Aanbod van ruwvoer is verplicht. In geval van ziekte en een noodzakelijke behandeling moet bij voorkeur behandeld worden met kruidenpreparaten, homeopathische middelen, vitamines en dergelijke, mits ze bewezen effectief zijn. Indien nodig kunnen zeer beperkt ‘gewone’ geneesmiddelen gebruikt worden. De biologische varkenshouderij kent een aantal pluspunten ten aanzien van diergezondheid, zoals:

  • Later spenen van biggen leidt tot betere weerstand tegen ziektes en vermindert diarree bij biggen.
  • Biologische varkens zijn door een rijkere omgeving minder bijterig naar elkaar, en hebben hierdoor minder verwondingen aan huid en lichaam.
  • Strooisel op de vloer is positief voor de pootgezondheid van vleesvarkens.
  • In lijn met het biologisch gedachtengoed behouden biologische varkens hun krulstaart. De staart kan blijven, omdat de varkens meer afleiding hebben, vooral dankzij de aanwezigheid van stro op de vloer. Castratie is als ingreep nog wel toegestaan (uitgezonderd de biologisch dynamische varkenshouderij), maar positief is dat er sectorbreed (biologisch en gangbaar) een algehele stop op deze ingreep komt (Nederland 2015; Europa 2018). Dit is het gevolg van een felle maatschappelijke discussie. Castratie mag nu nog wel, maar alleen onder verdoving.

Voeding

Bij tekorten in voeding zal de motivatie om te eten en te drinken toenemen. Dit vertaalt zich in een gevoel van honger en dorst. In de biologische houderij worden met name eisen gesteld aan de samenstelling van het voer: het aandeel ruwvoer en de herkomst van grondstoffen. Water is onbeperkt aanwezig, en de dieren krijgen naast energierijk voer (krachtvoer) ook ruwvoer verstrekt. Er zijn nog veel vraagtekens bij de wijze waarop de biologische varkenshouderij ruwvoer verstrekt. Aan het dagrantsoen van biologische varkens moet onbeperkt ruwvoer (vers, gedroogd of kuilvoer) worden toegevoegd. Dit kan bij zeugen een gevoel van honger voorkomen, en daarmee ongewenst gedrag. Echter, biologisch stro geldt ook als ruwvoer en is vaak de enige ruwvoerbron. Zeugen kunnen stro maar voor een klein deel verteren en het levert weinig energie op. Voor biggen en vleesvarkens tot 50 kg is het stro al helemaal niet bruikbaar en ongeschikt voor consumptie. Aanbevolen wordt om naast biologisch stro ook ander (‘fijner’) ruwvoer te verstrekken.

Trefwoorden: welzijn, gedrag, gezondheid, comfort, varkens

Contact

Marko Ruis, Wageningen UR, marko.ruis@wur.nl